Stadions

Het Ratteplein (1891-1912)


Toen de scheidsrechter nog uit het publiek werd gehaald

De terreinen waarop Club Brugge tijdens zijn lange geschiedenis zijn thuiswedstrijden afwerkte, liggen allemaal binnen een straal van enkele kilometers, ten noordwesten van de stad Brugge, in de deelgemeente Sint-Andries.
Het allereerste echte onderkomen dat de blauw-zwarte vereniging vond, en waar het tot 1912 zou blijven, was een stuk braakliggende grond in de Sint-Baafsparochie. Dit terrein, gelegen op de gronden waar heden ten dage de Sint-Baafskerk staat, was eigendom van de hondenclub “Fox Terrier”. Doorgaans werden op dat veld honden losgelaten, die in (de uit Engeland overgewaaide en uiterst populaire) “rat races” achter ratten aanjoegen. Vandaar de naam: het “Ratteplein”. Om een voetbalwedstrijd te kunnen organiseren, moesten telkens opnieuw lijnen getrokken worden en doelen opgebouwd en afgebroken.
Op een bepaald ogenblik was Football Club Brugeois rijk genoeg om het terrein en alle toebehoren aan te kopen, voor de spotprijs van honderd frank. Daarin waren inbegrepen: alle doelstaken, vlaggetjes, een bus, een stempel, de speelkostuums (één hemd kostte toen 1,60 frank en werd als een weelde-artikel beschouwd), vijf ballen en – niet te vergeten – de steen voor het drukken van de affiches. In het Frans, jawel, want dat was toen de voertaal van de vereniging.
Om enigszins te schetsen hoe amateuristisch het er in die periode nog aan toe ging: de aanduiding van de scheidsrechters gebeurde toen nog niet door de voetbalbond. Voor aanvang van een wedstrijd werd gewoon in het opgekomen publiek even geïnformeerd wie er zo’n beetje op de hoogte was van de “speelwetten”. En die brave ziel kreeg dan een fluitje toegestopt.
In de geschiedschrijving valt ook terug te vinden dat in de tijd van het “Ratteplein” er een reglement bestond dat de bestuursleden van de vereniging verplichtte tijdig aanwezig te zijn op de wedstrijden, dit op straffe van boete. Wie te laat opdaagde, moest 0,25 frank boete afdokken…

"De Klokke" - Albert Dyserynckstadion (1912-1975)


De Spionkop maakte van elke trip naar Brugge een hel

In 1912 besliste het toenmalige bestuur van Club Brugge om aan de Torhoutsesteenweg grond te huren en er een terrein met kleine tribunes aan te leggen. Het had heel wat voeten in de aarde om de eigenaar over de streep te krijgen, maar uiteindelijk werd een akkoord gesloten voor een jaarlijkse huurprijs van 1.760 frank. De nieuwe thuishaven kreeg de naam “De Klokke”, naar de gelijknamige herberg schuin tegenover de hoofdingang.
Acht jaar en een wereldoorlog later, kort nadat blauw-zwart in 1920 zijn eerste landstitel had veroverd, wou het Club-bestuur vaste grond onder de voet en werd beslist het terrein aan te kopen. Hiervoor moest 40.000 frank worden bijeengelegd, in die tijd een klein fortuin. Drie leden van het bestuur zorgden ervoor dat het zaakje in orde kwam: erevoorzitter Alfons Demeulemeester bracht de helft van het bedrag in, voorzitter Albert Dyserynck en bestuurslid Prosper De Cloedt ieder een vierde. Enkele jaren later nam voorzitter Dyserynck het deel van de twee anderen over, om vervolgens het stadion in volle eigendom aan Club Brugge te schenken voor één symbolische frank. Het mocht dan ook niet verbazen dat het stadion in 1932 in Albert Dyserynckstadion werd omgedoopt, ter nagedachtenis van de één jaar eerder verongelukte weldoener.
In de pioniersjaren op “De Klokke” waren er vier verschillende gangbare prijzen om een wedstrijd van Club Brugge bij te wonen: 3,50 frank (tribune réservée), 2,50 frank (tribune ordinaire), 1,25 frank (pourtour) en 0,75 frank (populaires). Het stadsbestuur introduceerde op een gegeven ogenblik een heffing van 10 procent taksen op de inkomsten, wat tot nogal wat herrie leidde. Als compromis kwam een taks van 100 frank per wedstrijd uit de bus, plus… gratis toegang voor de gemeentesecretaris.
Club Brugge voetbalde uiteindelijk iets meer dan zestig jaar op “De Klokke”. Het groeide er uit van een typische liftploeg (met nogal wat opeenvolgende degradaties en promoties, waarvan de laatste in 1959 uiteindelijk de definitieve bleek) tot een vaste waarde in de Belgische top vanaf de tweede helft van de jaren '60. Het was in die periode dat de Spionkop werd opgericht, die voor bezoekende ploegen van elke trip naar Brugge een ware hel maakte. Toch bleven de enthousiaste Brugse fans jarenlang op hun honger zitten, vooraleer in 1973 alsnog de langverwachte tweede Belgische landstitel mocht worden bejubeld. Niet in "De Klokke" evenwel, maar op bezoek bij aartsrivaal Anderlecht in het Astridpark, verwierf Club hierover mathematische zekerheid.
Na die kampioenenviering bleef Club Brugge nog twee seizoenen op De Klokke voetballen. Tegelijk met de financiële gezondmaking van de club door het consortium rond wijlen Michel Van Maele, leidde de toenmalige burgemeester van Groot-Brugge de blauw-zwarte vereniging met de verhuis naar het Olympiastadion eveneens naar een nieuw tijdperk.
“De Klokke” werd na de verhuis van Club Brugge een tijdlang de thuishaven van vierdeprovincialer Eendracht Brugge VV, en bleef nog bijna een kwarteeuw een financieel appeltje voor de dorst voor Club. Toen huidig Club-voorzitter dr. Michel D’Hooghe als bondsvoorzitter in 1994 het plan lanceerde om de reserventeams van eersteklassers in derde klasse competitief te maken, speelde Club Brugge met de idee om de wedstrijden van zijn tweede elftal op “De Klokke” te organiseren. Uiteindelijk werden de gronden toch verkocht. In september 1999 ging de vervallen hoofdtribune als laatste tegen de vlakte. De steen met het stichtingsjaartal en de naam van het stadion verhuisden enkele jaren eerder naar de Olympialaan, waar ze werden ingewerkt in de nieuwbouw waar inmiddels het “Administratief Centrum Michel Van Maele” is ingeplant. “De Klokke” is nog slechts een herinnering. Want ook het gelijknamige café aan de overzijde van de Torhoutsesteenweg, jarenlang uitgebaat door ex-Club-doelman Fernand Boone, sloot definitief de deuren…

Olympia - Jan Breydelstadion (1975-heden)


Kampioenenstadion beleefde bruisende Europese avonden

In het najaar van 1973, kort nadat Club Brugge zich tot kampioen van België had gekroond, werd zowel bij Club als bij Cercle Brugge de alarmklok geluid. Beide Brugse verenigingen zaten in hoge financiële nood, en het stadsbestuur besliste onder impuls van toenmalige burgemeester Michel Van Maele om blauw-zwart en groen-zwart een helpende hand te reiken. Op de open vlakte achter de kerk van Sint-Andries verrees een fonkelnieuw stadion, waar zowel Club als Cercle sindsdien hun thuiswedstrijden zouden afwerken. In de zomer van 1975 verhuisden de beide verenigingen van de Torhoutsesteenweg naar hun nieuwe thuishaven, die de naam "Olympia" kreeg.
Voor Club Brugge luidde die verhuis het meest succesvolle tijdperk uit de geschiedenis van de club in. Tijdens de eerste drie seizoenen in Olympia werd blauw-zwart driemaal op rij kampioen van België. Het nieuwe kampioenenstadion beleefde ook bruisende Europese avonden, grootheden als AC Milaan, Real Madrid, Hamburg en Juventus gingen er voor de bijl. De allereerste voetbaljaargang in het Olympiapark werd al meteen afgesloten met een Europese finale, die van de UEFA-beker. Tegen Liverpool moest Club evenwel het hoofd buigen, wat het twee jaar later ook zou moeten doen in de finale van de Landskampioenen, op Wembley.
De Europese successen uit die glorieuze periode onder succescoach Ernst Happel kregen in de bijna drie decennia die er op volgden ruime navolging. Henk Houwaart en Hugo Broos leidden Club op hun beurt tot in een Europese halve finale, terwijl Trond Sollied het team tweemaal op rij (en straks hopelijk een derde keer) tot in de poules van de Champions League dirigeerde. Benevens dit drietal mochten ook Han Grijzenhout, Georges Leekens en Eric Gerets als coach een Brugse titel bejubelen.
Het stadion, dat een aanvankelijke capaciteit van 30.000 plaatsen had (waarvan 8.000 zitplaatsen), onderging in de loop der tijden nogal wat face-lifts. In 1987 werden in de Westtribune het logebouw en de business-seats ingeplant, wat het verdwijnen van 1000 zitplaatsen met zich bracht. In 1993 werd onder druk van de UEFA overgegaan tot de vervanging van bijna alle staanplaatsen door zitjes, waardoor de capaciteit terugviel tot 18.000 plaatsen. Nadat in mei 1995 de kandidatuur van Brugge voor Euro 2000 werd aanvaard, werd in de zomer van 1997 - met financiële steun van de Federale en de Vlaamse overheid - de aanbouw van een tweede en derde bouwlaag op de Noord- en Zuidtribune aangevat. Zodoende beschikt het stadion voortaan over een volledige bovenring en over 30.000 zitplaatsen, die jammer genoeg niet volledig kunnen worden benut wegens de compartimentering als gevolg van het in voege treden van de Voetbalwet in 1999.
In 1998 werd, als rechtstreeks gevolg van de investering van Vlaams overheidsgeld, officieel de naam van het Olympiastadion gewijzigd in Jan Breydelstadion. Naar Engels model werd de Brugse voetbaltempel toen de eerste in België die, door de combinatie van witte en blauwe stoeltjes in de "Noord Boven", zijn naam luid uitschreeuwde.