Ernst HAPPEL (1974-1978)
Van alle trainers die ooit voor Club Brugge hebben gewerkt, is de Oostenrijker Ernst Happel (° Wenen, 29 november 1925) zonder betwisting de meest succesrijke geweest. Hij kon ook het mooiste palmares als voetballer voorleggen. Op zijn dertiende begonnen bij Rapid Wien, stond hij drie jaar later reeds in de basisploeg van de toentertijd wereldvermaarde groen-witten uit de Oostenrijkse hoofdstad. Hij zou er uitgroeien tot een legende en wordt nog altijd in één adem genoemd met zijn generatiegenoot Gerhard Hanappi, de Oostenrijkse recordinternational. Happel, die als stopperspil in het 2-3-5-systeem blijk gaf van een uitzonderlijk tactisch doorzicht en een angstaanjagende koelbloedigheid, beschikte over een hard en strak schot dat van hem de vrijschop- en penaltyspecialist maakte van Rapid en het Oostenrijkse team. Met Rapid won Happel zeven keer de landstitel en één Oostenrijkse beker. Hij speelde 51 interlands voor Oostenrijk, met als hoogtepunt de derde plaats die hij met het “Wunderteam” van zijn land behaalde tijdens de Wereldbeker 1954 in Zwitserland. Het sein om de wijk te nemen naar Frankrijk, waar hij twee seizoenen bij Racing de Paris speelde, vooraleer naar Rapid Wien terug te keren. Happel voetbalde er nog twee jaar, en nam ter afsluiting van zijn spelersloopbaan in ’58 met Oostenrijk deel aan het WK in Zweden. Als speler reeds kreeg hij twee bijnamen: "Wödmasta" (de Oostenrijkse verbastering van "World Master") en "Aschyl" (naar Achilles, omdat hij in de defensie dusdanige risico's durfde te nemen dat zelfs zijn eigen ploegmaats vaak het koude angstzweet uitbrak...) Ook voor de trainer Ernst Happel begon alles bij Rapid Wien. Na een landstitel in 1960 en een bekerzege in 1961, vertrok Happel in 1962 naar Nederland. Gedurende zes seizoenen leidde hij ADO Den Haag, waar hij o.a. de jonge Henk Houwaart onder zijn hoede had. Van Den Haag ging het in 1968 naar Rotterdam en naar Feyenoord, waarmee Happel op 6 mei 1970 de Europabeker voor Landskampioenen won in San Siro, Milaan, na 2-1 winst tegen Celtic Glasgow. Eén jaar eerder dan Ajax was Feyenoord de eerste Nederlandse club die met de Beker met de Grote Oren mocht pronken. Naast de Nederlandse titels van ’69 en ’71 en de beker van ’69, sierde vooral die Europacupzege, gevolgd door winst van de Wereldbeker voor Clubs tegen het Argentijnse Estudiantes, het Feyenoord-visitekaartje van Happel (toen reeds bijgenaamd "Der Weltmeister") toen de Oostenrijker in 1973 het druilerige Rotterdam verruilde voor de zon boven Zuid-Spanje. Maar bij Betis Sevilla kreeg Happel wegens uitblijvende resultaten vrij snel de wacht aangezegd, net op een moment dat het bij Club Brugge onder Jaak de Wit van kwaad naar erger ging. Club-speler Henk Houwaart, die de Oostenrijker mateloos bewonderde sinds hij hem als coach bij ADO had gekend, kon het Club-bestuur overtuigen om met Happel onderhandelingen aan te knopen. Op 21 januari 1974 stapte Ernst Happel als nieuwe Club-coach “De Klokke” binnen. Het begin van het meest glorieuze tijdperk uit de moderne geschiedenis van Club Brugge. Overigens was naar Brugge komen allerminst een evidente keuze voor de veelgevraagde Oostenrijker, die met Rinus Michels in de balans lag om het grote Oranje van Johan Cruijff te gaan leiden tijdens het WK ’74 in West-Duitsland. Maar Happel zag wel wat in de Brugse uitdaging. Hij inventariseerde gedurende anderhalf seizoen en ging daarbij draconische maatregelen niet uit de weg. Na enkele maanden al mochten gevierde vedetten als Carteus, Vandendaele, Devrindt en Sanders opkrassen, een jaar later volgden Thio en… Houwaart. Happel liet ondertussen zowel jeugdig talent (Jensen, Vandereycken, De Cubber, Verheecke, Sörensen) als ervaring (Volders, Krieger, Courant) aanrukken om de overgebleven routiniers (Lambert, Bastijns, Cools, Leekens, Le Fèvre) aan te vullen en een nieuw topteam uit te bouwen. Met een in omvang vrij beperkte maar bijzonder goed uitgebalanceerde kern zette Club na de verhuis van “De Klokke” naar het fonkelnieuwe Olympiastadion een ongeëvenaarde glorieperiode in. Drie opeenvolgende landstitels, een Belgische beker en twee Europese finales: het blauw-zwart palmares van de Oostenrijker is rijkgevuld. Drie keer op rij slaagde Club Brugge er in Anderlecht in de competitie achter zich te houden, terwijl de Brusselaars nochtans twee Europese bekers wonnen in dezelfde periode. Ook in de mooiste Belgische bekerfinale uit de geschiedenis, die van 1977, deed Club Brugge zijn aartsrivalen in het zand bijten. Maar vooral de bruisende Europese avonden van Club Brugge droegen bij tot de magie van het Happel-tijdperk. Op weg naar de finale van de UEFA-beker in 1976 moesten Lyon, Ipswich, AS Roma, AC Milaan en Hamburg er aan geloven. De finale van de Europacup voor Landskampioenen werd in 1978 bereikt nadat onderweg Panathinaikos, Atletico Madrid en Juventus Turijn werden opzijgezet. En tijdens Happels minst succesvolle Europese campagne sneuvelden tussendoor Steaua Boekarest en Real Madrid in Olympia. Enkel Liverpool kon het Club van Happel tot tweemaal toe in de finale op de knieën dwingen. Op Anfield Road, in 1976, ontbond Kevin Keegan zijn duivels. En in Wembley, op 10 mei 1978, was het Kenny Dalglish die het nekschot toediende. Slechts enkele maanden na de Wembley-finale, op 20 november 1978, kwam het tot een breuk tussen Club Brugge en zijn succescoach. In de nasleep van een pijnlijk snelle Europese uitschakeling in het Poolse Krakau en, ondanks de aanwerving van het Belgische toptalent Jan Ceulemans, een gemiste competitiestart. Happel gaf blijk van metaalmoeheid na een voetbalzomer zonder vakantie. Tegen het advies van het Club-bestuur in had "de Sfinx" zich geëngageerd om Nederland te leiden tijdens het WK in Argentinië, en met Oranje was Happel ook daar tot de finale doorgedrongen die van het gastland werd verloren na verlengingen. De mentale overbelasting, en de vele spanningen die zich jarenlang tussen de succestrainer en het Brugse bestuur hadden opgehoopt, eisten uiteindelijk hun tol. De vijf jaar van het Happel-bewind mochten immers de mooiste uit de Brugse geschiedenis zijn, tegelijk leefde Club Brugge al die tijd op een vulkaan. Tussen de successen door moesten intern nogal wat brandjes geblust worden. Vooral de weinig elegante manier waarop Happel de aanwerving van de Britse aanvaller Roger Davies onthaalde, zette kwaad bloed. Enkele weken na zijn vertrek bij Club Brugge ging Ernst Happel tot veler verbazing aan de slag bij de zwalpende tweedeklasser RC Harelbeke, waarmee hij het behoud wist te verzekeren. Het was slechts een interludium, want Happel wilde enkel aan de top werken. Zijn naam werd een paar keer in verband gebracht met Anderlecht, maar uiteindelijk was het Roger Petit die hem naar Standard lokte. De Luikenaars snakten naar een nieuwe titel en streden in 1980 tot op de streep mee voor de hoogste eer. Het was evenwel… Club Brugge dat daarmee aan de haal ging. Het jaar nadien nam Happel afscheid van Standard met winst in de finale van de Belgische beker tegen Lokeren. Die bekerzege werd tevens zijn afscheid van het Belgische voetbal. Hamburg-manager Gunter Netzer lokte Ernst Happel naar de Bundesliga, en het succes volgde terstond: de roodwitten uit de Noord-Duitse wereldhaven werden in 1982 en 1983 kampioen, wonnen in 1983 de finale van Europacup I tegen Juventus (1-0) en in 1987 de West-Duitse beker. Na internationale omzwervingen van een kwarteeuw had Happel plots last van heimwee en keerde hij op zijn zestigste naar Oostenrijk terug. Eerst als coach van FC Tirol Innsbruck en later, na de beschamende 1-0 nederlaag van Oostenrijk tegen de Fäeröer Eilanden in de aanloop naar het EK ’92 in Zweden, ook nog als nationaal bondscoach. Die functie bekleedde Ernst Happel nog steeds officieel toen hij op 14 november 1992 overleed na een maandenlange strijd tegen kanker. Happel, die tot zijn laatste dagen met de vrienden ging kaarten in het stemmige 'Café Ritter', werd slechts 66 jaar oud. Als huldeblijk werd het nationale voetbalstadion in Wenen, het vroegere Praterstadion, sindsdien naar hem vernoemd. En in augustus 2004 brachten de Oostenrijkse posterijen een zegel met het beeltenis van "Oostenrijks beste voetbaltrainer aller tijden" op de markt. De ondoorgrondelijke "Sfinx" is er al een tijdje niet meer, maar de herinnering aan hem zal nooit sterven. Zeker niet in Brugge.
















Social media