Sven Vantomme: “De goal van Refaelov!”

De mooist gepenseelde triptiek in Clubs recente geschiedenis hangt nog steeds aan de muur van het wereldwijde web. Minuut 91, seconde 52 tot en met 54. Timmy Simons neemt iets voorbij de middellijn een vrije trap. In een wirwar van lijven wordt de bal door een Anderlechtspeler op de rand van het strafschopgebied richting het halve maantje gekopt. Lior Refaelov neemt met de linker de bal op de slof en volleyt binnen.

Text: 

Het daaropvolgende pandemonium vind je in alle talen en toonaarden. De meesten zijn wazig en voorzien van instinctief geschreeuw. De mooiste versie is degene waarop de stem van radiocommentator Peter Vandenbempt is gemonteerd. Hij schreeuwt tweemaal: ‘DE GOAL VAN REFAELOV! DE GOAL VAN REFAELOV!’ Ik weet niet of Peter het beseft, maar met zijn uitbarsting bezorgde hij ons, tieners, twintigers en dertigers die geen herinnering hebben aan de bekerfinale van 1977, onze ‘Davies Cup’. Wanneer wij binnen decennia tegen onze zonen en dochters met iets luidere stem de woorden ‘DE GOAL VAN REFAELOV!’ zullen uitspreken, zullen zij onmiddellijk weten waarover het gaat: Brussel, zondag 22 maart 2015. Daags na de finale kopte de Volkskrant: ‘De beste club van de Benelux?’ Leider in de competitie, kwartfinalist in de Europa League én bekerwinnaar. De beste club van de Benelux, dat waren wij. Zonder vraagteken.

Woensdagavond startte Club de nieuwe bekercampagne. Er was geen high definition die als een loep over een gekartelde postzegelrand gleed, elke gelaatsuitdrukking taxerend en parelende zweetdruppels ontledend. Er was alleen radio, gepingpong tussen voetbal en muziek en steeds die enkele seconden twijfel wanneer naar de wedstrijd van Club werd overgeschakeld. Was er veel of weinig gejuich? Welke emotie zat verscholen in het timbre van de commentator?

Het voerde me terug naar halfweg jaren negentig waar voetbal op zaterdagavond en zondagnamiddag de soundtrack was. Op zaterdag begon het voetbalprogramma na afloop van het zevenuurjournaal. Er werd een rondrit gemaakt langs alle velden. Daarbij ging de stem van de reporter ter plaatse in tempo, intensiteit en volume crescendo. Er was het eindeloos durende acht- en negenuurbulletin, een blinde vlek die ervoor zorgde dat je een of meerdere doelpunten kon missen. Na afloop van de wedstrijden, tussen tien en elf uur, werd opnieuw naar alle stadions geschakeld. Dan hoorde je interviews waarvan je de douchedamp door het radiotoestel voelde druppen. Het ritueel herhaalde zich op zondagnamiddag. Dan toeterde het Veltwijckpark en danste het Pierre Cornelisstadion de polonaise. Bij elk voetbalhoorspel legde ik een schriftje open. Daarin lijstte ik alle wedstrijden op. Telkens werd gescoord, noteerde ik zorgvuldig het tijdstip en naam van de doelpuntenmaker. Het was een gulden voetbalboek waarin ik tijdens wedstrijden van Club met veel trots en spanning in mijn ontluikende pubervingers de naam van de Brugse doelpuntenmakers pende. Ze werden afgewisseld met onverlaten die veel scoorden tegen Club: Patrick Goots, Patrick Teppers, Gunther Hofmans, Dante Brogno, Ronny Van Geneugden en Gert Cannaerts. Mirek Waligóra, de Poolse spits van Lommel, was de grootste kwelduivel. Die scoorde àltijd.

Ditmaal was er geen bekerfinale. Het was geen Club – Anderlecht. En Mirek Waligóra is volgens datzelfde wereldwijde web in 2013 eindelijk gestopt met voetballen. Het was Patro Eisden, de club die je op de allerlaatste pagina’s van je Paninistickerboek terugvond en waar de spelers in duo op de plakker stonden afgebeeld. Piet Cosemans was de troubadour. Hij had het over paarswitte rooksignalen, van onder het gras het verzet organiseren en opgedroogde ambitie. In de studio hield Gert Geens als een Chinees circusartiest alle bordjes draaiende. Piet gaf de teljoor vier keer een extra draai.

Even hield televisie radio niet in een houdgreep. En het was verdomd heerlijk.

Related articles